CoenHA
De stichting heeft de integriteit van Stadspartij raadslid Coen Lageveen ter discussie gesteld door een klacht tegen hem in te dienen. Dit vanwege zijn betrokkenheid als werknemer bij een hoveniersbedrijf dat ook in de Zuidoostbeemster klanten heeft. Een klant van het hoveniersbedrijf daar is namelijk voornemens zich ook in Purmerend te vestigen op een plek waar de vrienden zich als tegenstanders juist hebben ingegraven. De werknemer van het hoveniersbedrijf zou als raadslid best eens met eigen gewin doelen voor zijn werkgever in de besluitvorming kunnen zitten, zo stellen ‘de vrienden’.
Niet ontvankelijk en ongegrond zo oordeelden de onderzoekers op de klacht
In een eerste reactie toentertijd stelde fractievoorzitter Bert Meulenberg al dat de aantijgingen vanuit ‘de vrienden’, “die elk middel zal en wil inzetten om haar doel te bereiken: geen hotel in de kom A7”, nauwelijks het reageren waard te vinden.
Terecht naar nu ook na onafhankleijk onderzoek is gebleken.
Klacht onderzocht en afgeserveerd door onderzoekers
De gemeenteraad heeft op 22 februari 2018 besloten om de afdoening van de klacht ter afdoening in handen te stellen van het presidium. Gelet op de samenstelling van het presidium, heeft het presidium besloten om de afdoening over te dragen aan de burgemeester en de griffier.
De conclusie van de onderzoekers is dat er geen sprake van een klacht als bedoeld in de Klachtenregeling c.q. de Algemene Wet Bestuursrecht en op grond van artikel 8 van de gemeentelijke Klachtenregeling wordt het klaagschrift (de klacht) niet in behandeling genomen.
De klacht is dus niet ontvankelijk!
Reactie en toelichting onderzoekers
Ondanks het feit dat de klacht in juridische zin buiten behandeling moet worden gelaten Geven de onderzoekers de volgende reactie.
"Op grond van de wettekst en de over dit onderwerp bestaande jurisprudentie is onze conclusie dat de heer Lageveen wel mocht stemmen over het raadsvoorstel. De jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak geeft aan dat artikel 28 van de Gemeentewet gaat om het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat het betrokken raadslid "gewoon" medewerker is van een bedrijf en de verwachting speculatief is dat er eventueel sprake zou kunnen zijn van een mogelijk belang van dit bedrijf bij dit raadsvoorstel. ln dit geval zijn er noch op grond van de wettekst, noch op grond van de jurisprudentie redenen aanwezig om te veronderstellen of nader te onderzoeken dat het raadslid desondanks niet had mogen stemmen. Uiteindelijk is de beslissing op de vraag of meegestemd mag worden, voorbehouden aan het betrokken raadslid zelf. Uw opvatting over strijdigheid met de Gemeentewet is daarmee onjuist."
Daarmee is de klacht dus ook verder beoordeeld ongegrond.
Reactie Stadspartij
De fractievoorzitter van de Stadspartij Bert Meulenberg liet in een eerste reactie op de uitspraak weten niet anders te hebben verwacht en hoopt dat “de stichting” zich verder van dergelijke onzinnige aantijgingen onthoudt.